Guillaume de Beaujeu 21e grootmeester van de Orde van de Tempel 1273–1291
Guillaume de Beaujeu, in het Nederlands Willem van Beaujeu, werd omstreeks 1230–1233 geboren in een machtige Franse hoogadellijke familie uit de streek Beaujolais. Zijn vader was Guichard de Beaujeu-Montpensier, heer van Montpensier, en zijn moeder Catherine d’Auvergne. Willem had meerdere broers, onder wie Héric, Humbert en Louis.
Nog vóór 1250 trad Willem toe tot de Orde van de Tempel en sloot aan bij de 7de kruistocht. Daarmee koos hij voor een leven als religieuze ridder, gebonden aan de regels van de orde en aan de verdediging van het Heilige Land. Rond 1260–1261 bevond hij zich in het Heilige Land. Tijdens een expeditie in de omgeving van Tiberias, bij het Meer van Galilea, liep hij in een hinderlaag en werd hij gevangengenomen. Niet lang daarna kwam hij weer vrij.
👈🏻 de 7de kruistocht
Hij was ook betrokken bij de Oorlog van Saint-Sabas, een conflict dat de adel van de kruisvaardersstaten en de ridderorden diep verdeelde. Hierdoor kreeg Baibars, de mamelukse sultan van Egypte, de kans om tal van christelijke vestingen – waaronder het kasteel Beaufort – te veroveren en het vorstendom Antiochië werd zwaar getroffen.
In 1271 werd Willem commandeur van de Tempeliers in de provincie Tripoli. Twee jaar later, op 13 mei 1273, werd hij gekozen tot grootmeester van de Orde van de Tempel. Hij volgde daarmee Thomas Bérard op.
Zijn periode als grootmeester viel in een tijd waarin de christelijke gebieden in het Oosten steeds verder onder druk kwamen te staan. De Mamelukse sultan Qalawun veroverde Latakia en in 1289 viel ook het graafschap Tripoli. Willem had daarvoor gewaarschuwd, maar zijn waarschuwingen waren onvoldoende serieus genomen. In 1290 richtte Qalawun zijn aandacht op Akko, op dat moment het belangrijkste overgebleven centrum van het koninkrijk Jeruzalem. Qalawun stierf in november dat jaar, voordat hij de aanval kon beginnen, maar zijn zoon al-Ashraf Khalil zette de veldtocht voort. Willem de Beaujeu kreeg daarmee de verdediging van één van de laatste grote christelijke bolwerken in het Heilige Land op zijn schouders.
Tijdens het Beleg van Akko in 1291 stond Willem samen met zijn tempeliers op de muren van het laatste bolwerk van het koninkrijk Jeruzalem. Op een gegeven moment tijdens het beleg liet hij zijn zwaard vallen en een speer trof hem onder zijn oksel.
Bij de verwonding: de eerste hulp verwijderde het plaatpantser (coat of plates – lamieres – zie afbeelding). Een werpspies trof de grootmeester van de Tempelorde precies op het moment dat hij zijn linkerhand ophief. Hij droeg geen schild, enkel zijn lans in zijn rechterhand. De speer doorboorde hem onder de oksel; de schacht drong een handbreed diep in zijn lichaam, precies door de opening waar de pantserplaten niet op elkaar aansloten. Hij droeg op dat moment niet zijn reguliere harnas, maar een lichtere uitrusting die men in alle haast bij een alarm aantrok.
Toen hij voelde dat hij dodelijk gewond was, keerde hij zich om en vertrok. Sommige verdedigers dachten dat hij zich terugtrok om zichzelf in veiligheid te brengen. De vaandeldrager zag hem weggaan en volgde hem, en al snel volgde ook de rest van zijn gevolg. Nadat hij een stukje was opgeschoten, zagen twintig kruisvaarders uit de Vallo di Spoleto hem vertrekken. Ze riepen hem toe: ‘In Godsnaam, heer, ga niet weg! Als u vertrekt, valt de stad onmiddellijk!’ Hij riep daarop met luide stem, zodat iedereen het kon horen: ‘Heren, ik kan niet meer verder; ik ben dodelijk getroffen! Kijk maar naar deze wond!’
Toen zagen we de werpspies in zijn lichaam steken. Terwijl hij sprak, liet hij zijn lans op de grond vallen en zakte zijn hoofd opzij. Hij dreigde van zijn paard te vallen, maar zijn mannen sprongen direct uit het zadel, vingen hem op en tilden hem eraf. Ze legden hem op een schild dat daar ergens was achtergebleven – een groot, breed schild.
Ze droegen hem in de richting van de Sint-Antoniuspoort, maar die bleek gesloten. Wel vonden ze een klein deurtje met een bruggetje dat vanuit de gracht naar de residentie van vrouwe Maria van Antiochië leidde – een pand dat voorheen toebehoorde aan heer James van La Mandelée. Daar verwijderden zijn mannen zijn harnas door het pantser bij de schouders los te snijden; ze konden immers niet anders, vanwege de…” …de verwonding die hij had opgelopen.
Daarna legden ze hem, nog steeds in zijn wambuis, onder een deken en brachten hem naar de kust – naar het strand dat ligt tussen het slachthuis en het huis van de heer van Tyrus. Daar hoorden ze, ter hoogte van de Toren van de Legaat, kreten dat de Saracenen waren gearriveerd. Enkele leden van zijn gevolg sprongen in zee in een poging twee boten te bereiken die daar lagen – er waren er slechts twee, want de zee was zo onstuimig en de golven zo hoog dat de boten er niet tegen bestand waren – en velen van hen kwamen daarbij om het leven.
Anderen uit zijn gevolg droegen hem, met hulp van nog meer mannen, naar de vesting van de Tempeliers. Ze brachten hem naar binnen – niet via de poort, die men niet wilde openen, maar via een binnenplaats waar mest lag opgestapeld. Hij bleef de rest van de dag zwijgen; sinds hij van zijn paard was gehaald, had hij geen woord meer gesproken, op één opmerking aan de mensen in de Tempel na. Toen hij het rumoer hoorde van mannen die voor de dood vluchtten, wilde hij weten wat er aan de hand was. Men vertelde hem dat er werd gevochten, waarop hij beval dat men hem met rust moest laten.
Hij sprak daarna niet meer, maar gaf zijn ziel aan God. Hij werd begraven voor zijn tabernakel – het altaar waar de mis werd opgedragen. Het was een groot verlies van een Groot Meester. De stad viel in handen van de Mammelukken, wat het einde betekende van de kruisvaardersbezetting in het Heilige Land.
(Bron: ‘Tempelier van Tyrus’, een ooggetuige van de val van Akko en iemand uit de directe omgeving van Guillaume de Beaujeu)
👈🏻 de tekst bovenaan leest: " “Acon ou Aca, qui est Aussi Ptolemais.” wat betekend zo goed als: "Akko of Aca, dat ook Ptolemaïs is."
Onder staat: "Cette ville cy est située en Phenice, & a esté autresfois nommée Acc, colonie de Claude Cesar, laquelle a prins son nom de Ptolemaide…
Ter informatie: van ongeveer 261 vChr tot de 7de eeuw heette de stad Ptolemaïs. Daarvoor en daarna heette de stad Acco of Acre, tot op de dag van vandaag.