Orgel met engel header

het orgel


Het orgel, het heeft zijn vaste plaats in een kerk. Bijna elke kerk heeft wel 1 of zelfs meerdere orgels. Hoe komt dat? Waarom heeft niet elke kerk een ander standaard instrument? Zoals een gitaar, een harp, of piano, of een dwarsfluit, of iets anders?

Dat komt met name door Psalm 150. Hoewel daar ook andere instrumenten in benoemd worden, gaat het hoofdzakelijk over het orgel. Een orgel imiteert als het ware vele instrumenten. Zelfs een Vox Humana = een menselijke stem. Van viool, tot trompet, tot bellen, holpijp, fluit, quint, dulciaan, roerfluit, hobo, trompet, gemshoorn, bazuin, klaroen, bellen, viool, piano uiteraard en ga zo maar verder, dat zit allemaal in de registers van een orgel. Een orgel is haast een symfonieorkest ineen.

Linker registerpaneel van de speeltafel van het Hillenorgel, met meerdere rijen zwarte ronde registerknoppen en handgeschreven namen van verschillende orgelregisters en klankkleuren.

 

👈🏻 linker registers van het Hillen orgel van de Grote Kerk in Breda.

 

 

                        Registers rechts 👉🏻
zoals bijvoorbeeld: Trompet, Holpijp, Klokken, Hobo, Viola en meer

Rechter registerpaneel van de speeltafel van het Hillenorgel, met rijen zwarte registerknoppen voor onder andere trompet, hobo, cornet, viola, bazuin en andere klankkleuren.

 

In Psalm 150:4 staat: 4 Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!

Er worden ook andere instrumenten benoemd. Die zijn praktisch met de hand mee te nemen. Een orgel niet. Dat is één rede waarom een orgel “ vast” in een kerk aanwezig is.
Ofwel – rede 2 – zo voldoet het orgel aan de vele muziekinstrumenten die in psalm 150 voorkomen.

Orgels zijn kroonjuwelen van een kerk. Veelal in de gotische tijd waren ze schitterend gedecoreerd en hoe mooier, hoe meer je God eert.
Geniet ervan en denk dat ze er zijn ter ere van God. Loof Hem met de mooiste muziek.

 

Open Bijbel met Psalm 150, waarin wordt opgeroepen God te loven met verschillende muziekinstrumenten, waaronder in deze oude vertaling ook het woord orgel.

Net zoals een Kerk door de eeuwen heen “groeit”, zo groeit ook het orgel door de eeuwen met de kerk mee. Een orgel is veel aan onderhoud onderhevig en bijna elke eeuw is een grondige restauratie een must, wil je ze bespeelbaar kunnen houden. Bij elke restauratie wordt ze dan ook waar mogelijk aangepast aan de wensen van die tijd. Wat meestal inhoudt dat het orgel steeds “groeit”. Dat wil zeggen: meer opties, meer mogelijkheden. Daarom wordt het orgel ook wel een groeibriljant genoemd, steeds mooier, steeds rijker.

GESCHIEDENIS
Voor wie denkt dat een orgel ergens in de middeleeuwen ontstond, mag weten dat de vroege oorsprong al begon bij de oude Grieken. Dus was er al een orgel ten tijde dat Jezus leefde? Ja, in een bepaalde vorm wel. Maar niet zoals een orgel zoals we die nu kennen, door de eeuwen heen is het orgel danig in vorm verandert.
Voor het ontstaan gaan we naar 246 v.Chr. Ktesibios, een wetenschapper en uitvinder uit Egypte, vind dan het orgel uit.

Hij keek dit af van de herders die hij zag spelen op de panfluit. Een rij pijpjes naast elkaar aan elkaar gebonden. Panfluit is afkomstig van de Griekse God Pan. Hij was een faun: Pan heeft het onderlijf en de hoorns van een geit, maar een menselijk bovenlijf. Verder heeft hij een lang smal gezicht, een grote neus en gele oogjes.
De eeuwig hitsige bosgod Pan heeft zijn zinnen gezet op de kuise nimf Syrinx, een volgelinge van de godin Diana. Ze wilt het absoluut niet, maar Pan luistert daar niet haar en jaagt haar achterna.
Tot ze bij een rivier Ladon (in Griekenland) kwam en niet verder kon. Pan meent haar te kunnen overmeesteren. Ten einde raad knielde ze en bad tot de Goden dat ze maagd wilde blijven. Haar gebed werd verhoord en ze veranderde net op tijd in een rietstengel.

Blauwtintig tafereel uit de Griekse mythologie waarin de bosgod Pan met bokkenpoten en panfluit de nimf Syrinx achtervolgt; bij de rivier verandert zij in riet terwijl zij haar armen naar de goden opheft.

Hij gaf de hoop op en blies gefrustreerd langs het riet, dat toen een toonhoogte gaf. Hij sneed het riet af om er een panfluit van te maken. De oude Grieken noemden deze panfluit Syrinx.

Pan zorgde in de bossen voor veel mysterieuze geluiden, waar de herders en hun kuddes bang voor waren, hetzelfde voor mensen op afgelegen plekken. Dit is de verklaring van het woord paniek. Een panische schrik is een plotselinge, algemene, maar ongegronde schrik. Om die reden kon men hem maar beter te vriend houden. Vanaf de middeleeuwen werden enkele uiterlijke kenmerken van Pan — bokkenpoten, hoorns en dierlijke trekken — ook gebruikt in voorstellingen van demonen en de duivel. Veel later kreeg de literaire figuur Peter Pan eveneens trekken die aan de klassieke Pan doen denken.

Getekende figuur van Peter Pan in groen pak en rode muts, zittend op één knie terwijl hij een houten panfluit bespeelt

Bij de hydraulis bracht lucht de pijpen tot klinken, maar water hielp de luchtdruk te regelen. Vandaar de naam waterorgel.. Het werd daarom ‘hydraulis’ (ook wel: hydraulos, hydraulikon, organon, hydraulus, wat waterpijp of waterfluit betekend) genoemd  👉🏻

Die Griekse wetenschapper Ktesibios was ook de uitvinder van het wateruurwerk. In die tijd hadden ze enkel de zonnewijzer als uurwerk. Maar zeer lastig als het snachts en/of bewolkt was.

Zwart-witte technische reconstructietekening van een oude hydraulis, het waterorgel van Ktesibios, met een rij verticale pijpen en het mechanisme waarmee water de luchtdruk helpt regelen.

De term waterorgel is van wat we nu kennen en dat een orgelmuziek speelt en meerdere fonteinen bewegen naar de muziek ervan. Een bekende daarvan staat in de Efteling. Totaal andere werking als het Ktesibios orgel dus.

Terug naar de beginperiode van het orgel. Dat lijkt nog niet op de verste verte op een orgel van hoe we die nu kennen. Ze waren klein, draagbaar, soms ook op een kar, zodat die meekon doen aan parades of kerkelijke processies. Maar die al wel op lucht werkten.

Van klein naar groot heten de orgels: een portatief, een positief en een kerkorgel. Een portatief kon je met je meedragen. De wat grotere hadden een steunpoot. Zo was de last niet zo zwaar en had je je handen vrij. Één hand voor het spelen en de andere om de balg te bedienen.
Een positief orgel is een klein pijporgel dat niet gedragen wordt tijdens het spelen, maar ergens wordt neergezet: op een tafel, een standaard of op de vloer. Het heeft meestal een klavier en een aantal rijen pijpen. Positief komt van het Latijnse ponere — “neerzetten”. Dus letterlijk: een orgel dat je neerzet, tegenover een portatief dat je draagt.
Later werden ze steeds groter en mooier versierd. Zo groot: dat je ze niet meer kon dragen, of op een kar paste.
Toen kregen ze een vaste plaats in de kerk. De muziek was prachtig en je kon er mooi Psalmen bij zingen. Je kon er me laten zien hoe rijk je wel niet was, maar meer nog: hoe je God eerde.

Ofwel van: “ik draag mijn orgel mee” 😄
naar: “zet hem daar maar neer”
naar uiteindelijk: “nou… deze krijg je echt niet meer door de kerkdeur.”

Verguld beeldje van de engel Ariëtta, staand met een klein draagbaar portatief orgel voor zich, als voorstelling van muziek en engelenzang.
Middeleeuwse afbeelding van twee monniken bij een klein pijporgel: één monnik bespeelt het klavier terwijl de andere achter het instrument de grote blaasbalgen bedient.


👈🏻 👈🏻 Engel Aariëtta met een portatief met een steunpoot.
Voor onze jonge orde: wil je haar zelf inkleuren? Onder ‘Jonge Orde’ vind je hiervan een kleurplaat.

👈🏻 Monniken uit de middeleeuwen met een positief

De eerste orgels hadden geen registers waarmee rijen pijpen in- en uitgeschakeld kunnen worden. Variatie in klankkleur of -sterkte was dus niet mogelijk. Om toch aan de wens van afwisseling tegemoet te komen, bouwde men achter de organist een tweede orgel, dat rugpositief genoemd werd. Ook werd er wel een tweede orgel boven het eerste opgesteld, het bovenwerk. Om meer speelmogelijkheden voor de handen over te houden, werden de baspijpen met de voeten bespeeld: het pedaal, uitgevonden omstreeks 1470.

Rond het jaar 1500 werd het mogelijk, door uitvinding van een manier om rijen pijpen in en uit te schakelen, veel meer klankkleuren (de registers) ten gehore te brengen. Het mechanisme dat hiervoor gebruikt wordt, bedient de organist met het in- en uitschuiven van de registertrekkers naast of boven de speeltafel/ klavier. Zie bovenste 2 foto’s.

Het orgel ontwikkelde zich in het midden van de 18e eeuw, naar een hoogtepunt. Hierna werd er voortdurend geprobeerd het orgel te verbeteren en aan te passen aan de eisen van de tijd en veranderende smaak. Vooral de komst van het industriële tijdperk is van grote invloed geweest. In onze tijd zijn we weer teruggekeerd naar de bouwwijze van het orgel in deze periode van bloei van het mechanische orgel. Het belangrijkste dat wij uit onze huidige tijd hebben toegevoegd, is de elektrische windmachine. Deze zorgt dat de balgen gevuld blijven met orgelwind, waardoor we afscheid konden nemen van de orgeltrapper of calcant.

De onderdelen die nodig zijn om een gewoon orgel te laten functioneren, zijn:
• De pijpen.
• De doos waarop de pijpen opgesteld staan: de windlade.
• Het mondstuk waardoor de pijpen aangeblazen worden: de kanalen.
• De balg, die zorgt voor de windvoorraad en de juiste druk van de orgelwind.
• De klepjes die de windtoevoer naar de pijpen afsluiten: de ventielen.
• De hefboompjes om die klepjes te openen en te sluiten: de toetsen.
• Verbinding van toets naar ventiel: de tractuur.
• De speeltafel of klaviatuur.

Hoe groter het orgel, hoe meer lucht je ervoor nodig hebt. In die tijd, toen er nog geen elektriciteit was: hadden we daarvoor orgeltrappers, of calcant, of pomper genoemd. En die mochten bij een aanzienlijk kerkorgel echt aan de bak !

Volledig front van het monumentale Hillenorgel in de Grote Kerk van Breda, met hoge zilverkleurige orgelpijpen, blauwgroene en vergulde ornamenten, twee grote pedaaltorens en onderaan het rijk beschilderde rugwerk met geopende orgelluiken
Hoogte van orgelpijpen
Hoogte van orgelpijpen

Nemen we bijvoorbeeld dit majestueuze
Hillenorgel van de Grote Kerk van Breda,
die al voor de mechanisatie een
vergelijkbare omvang had. En je ziet
de buitenste 2 kolommen van grote pijpen:
dat zijn pedaalpijpen (worden met de
pedaal/ voeten bespeeld), dat zijn
16voeters, ofwel elk 5 meter hoog,
diameter 10 cm. (orgel zelf is 23 meter
hoog !) Praat je over pijpen die voor
de lage tonen enorm veel lucht nodig
hebben. Niet alleen omdat ze lang zijn,
maar vooral omdat zulke grote pijpen een flinke luchtkolom moeten voeden. Dan heb je natuurlijk niet alleen die twaalf pijpen: daar komt de rest van het orgel nog bovenop; in totaal 3780 orgelpijpen.

Dus bij een fors historisch orgel, zoals deze, stond er echt een serieus windvoorzieningssysteem met grote balgen achter. De orgeltrappers hoefden gelukkig niet rechtstreeks “voor iedere pijp apart” te pompen; zij hielden de grote voorraadbalgen op druk. Die balgen fungeerden als een soort luchtreservoir. Maar zodra de organist veel registers trok, akkoorden speelde en vooral het zware pedaal gebruikte, zakte de voorraad sneller en moesten de calcanten flink doorwerken.

Bij volle muziek was dat het geen baantje van: eens per minuut rustig een pedaaltje intrappen. Dan moest je de windvoorraad echt op peil houden.
Sterker nog: bij grote orgels konden meerdere calcanten tegelijk nodig zijn. Dat is ook waarom je bij sommige historische orgels nog aanwijzingen aantreft voor de orgeltrappers: een belletje, sein, wijzer of andere manier waarop de organist kon laten weten: wind maken!

Ofwel als zo’n pedaalregister stevig werd aangesproken, moesten daar beneden of achter het orgel mensen letterlijk werken om boven in de kerk die enorme bastoon te laten klinken.
Tegenwoordig druk je een schakelaar in en hoor je woooooosh. Vroeger zat achter datzelfde geluid gewoon iemand te zweten. 🎶

Zwart-witte historische afbeelding van twee orgeltrappers die met hun voeten op lange houten hefbomen staan om de grote blaasbalgen van een orgel van lucht te voorzien.
Middeleeuwse miniatuur waarop een organist aan een pijporgel speelt terwijl een helper ernaast met zijn voeten een grote blaasbalg bedient; zo werd vroeger de orgelwind met menselijke kracht gemaakt.








👈🏻 orgeltrappers of
     calcanten

Indeling van een orgel:
Een orgel van een dergelijke omvang heeft meerdere klavieren, ofwel manualen. Manuaal is met de hand. Ofwel een klavier wordt met de hand bespeeld. Houden we het bij dit orgel; hier heeft de speeltafel 4 manualen. Daarnaast heeft een orgel ook nog pedalen, die je met je voeten bedient.

Close-up van het houten pedaalklavier van een orgel, met lange lichte en donkere pedaaltoetsen die de organist met beide voeten bespeelt.
👈🏻 Pedalen worden met de voeten bediend. 
👉🏻
Speeltafel met 4 klavieren, ofwel 4 manualen. Orgelbouwers nummeren de manualen van onderen naar boven.
Speeltafel van een groot orgel met vier boven elkaar geplaatste manualen, omringd door vele zwarte registerknoppen; de handen van de organist bespelen één van de klavieren.

Over het klavier ligt wanneer het orgel niet wordt bespeeld een oud beschermdoek. De Latijnse tekst daarop is afkomstig uit de Ars Poetica van de Romeinse dichter Horatius. Daarin schrijft hij onder meer dat wie een ander wil ontroeren, eerst zelf geraakt moet zijn. Woord, gevoel en voordracht moeten bij elkaar passen. Een opmerkelijk passende gedachte op een plek waar muziek juist bedoeld is om iets over te brengen.

Latijns: Si vis me flere, dolendum est primum ipsi tibi; tum tua me infortunia laedent, Telephe vel Peleu. Male si mandata loqueris, aut dormitabo aut ridebo.
Tristia maestum vultum verba decent, iratum plena minarum, ludentem lasciva, severum seria dictu.
Format enim natura prius nos intus ad omnem fortunarum habitum; iuvat aut impellit ad iram aut ad humum maerore gravi deducit et angit; post effert animi motus interprete lingua.
Nec sic incipies, ut scriptor cyclicus olim: “Fortunam Priami cantabo et nobile bellum.” Quid dignum tanto feret hic promissor hiatu?
Klavierdoek van het Hillenorgel “Rechthoekig zwart beschermdoek met goud- en koperkleurige Latijnse letters, sierlijke initialen en kleine bloemmotieven. Het doek wordt over de klavieren van het orgel gelegd wanneer het niet wordt bespeeld, als bescherming tegen stof. De tekst bestaat uit passages van de Romeinse dichter Horatius over gevoel, voordracht en de kracht waarmee woorden en kunst op een ander kunnen overkomen.”

Vertaald:
Als je wilt dat ik huil, moet jijzelf eerst werkelijk verdriet voelen; pas dan zullen jouw tegenslagen mij raken, Telephus of Peleus. Als je je woorden slecht voordraagt, zal ik óf in slaap vallen óf gaan lachen.
Verdrietige woorden passen bij een bedroefd gezicht, dreigende woorden bij woede, speelse woorden bij vrolijkheid en ernstige woorden bij ernst.
Want de natuur vormt eerst onze innerlijke gevoelens: zij maakt ons blij, drijft ons tot woede of brengt ons door zwaar verdriet terneer. Daarna brengt de tong die innerlijke bewegingen naar buiten.
Begin ook niet zoals ooit een oude epische dichter: “Ik zal het lot van Priamus en de beroemde oorlog bezingen.” Wat kan iemand die zo enorm begint daarna nog leveren dat groot genoeg is voor zo’n belofte?

Voor de 4 foto’s hieronder:
Manuaal 1 is het onderste manuaal (klavier) is voor het rugwerk, op foto 1.

Manuaal 2 is het een na onderste manuaal (klavier) is voor het hoofdwerk, op foto 2.

Manuaal 3 is voor het bovenwerk. Dit werk bevindt zich hoger in de orgelkas, achter het hoofdwerk en is daardoor aan de voorzijde niet zichtbaar, dus geen foto. 

Manuaal 4 is de bovenste manuaal (klavier) is voor het borstwerk, zien we op foto 3. Op de foto zijn de luiken dicht, daarachter zitten de orgelpijpjes van het borstwerk. 

De pedalen bedienen de pedaaltorens, die zien we op de 4de foto. Die hebben een gemiddelde hoogte van 5 meter en een diameter van 10cm. 

Front van het Hillenorgel in zwart-wit, waarbij alleen het rijk versierde rugwerk onderaan in kleur is weergegeven, met blauwgroene en gouden ornamenten en geopende beschilderde orgelluiken.
Front van het Hillenorgel in zwart-wit, waarbij alleen het centrale hoofdwerk in kleur is weergegeven, met blauwgroene vlakken, vergulde ornamenten en de hoge metalen frontpijpen.
Front van het Hillenorgel in zwart-wit, waarbij alleen het borstwerk in kleur is weergegeven: het brede blauwgroene gedeelte direct boven het rugwerk, met gesloten panelen waarachter de pijpen van het borstwerk staan.
Front van het Hillenorgel in zwart-wit, waarbij alleen de twee hoge pedaaltorens links en rechts in kleur zijn weergegeven, met hun grote metalen pijpen, blauwgroene kappen en vergulde engelfiguren.

Naast houten orgelpijpen (voor o.a. de hobo) zijn het merendeel van de orgelpijpjes gemaakt van een tin legering, tin met lood. En hoe meer tin erin zat – hoe meer ze blinken – deze werden meer aan de voorzijde gezet: de frontpijpen.
In de orgelbouw wordt een hoger tingehalte ook traditioneel verbonden met een helderder karakter, al wordt de uiteindelijke klank natuurlijk vooral bepaald door mensuur, vorm, winddruk en intonatie. Tin en lood zijn beide zachte metalen. Zeker pijpwerk met veel lood kan gemakkelijk vervormen. De orgelmaker moet daarom niet alleen rekening houden met de klank, maar ook met de stevigheid van het materiaal. Grote pijpen kunnen daardoor in de loop van eeuwen langzaam onder hun eigen gewicht vervormen of zelfs enigszins inzakken.

Zacht materiaal zet flink uit in de zomer en krimpt in de winter. In de middeleeuwen was er geen verwarming in de kerk. Als het vroor was het daar steenkoud. De kleinste pijpjes scheurden/barsten door de koude. Daarom hadden ze luiken ter bescherming tegen de kou. (maar ook tegen vuil en ongedierte) De verticale panelen stammen uit begin 17de eeuw, worden bijeengehouden door smeedijzeren gehengen. Gehengen, of hengsels zorgen ervoor dat de luiken kunnen draaien. Met de zomer staan ze dus open.

Kleurenfoto van het rugwerk van het Hillenorgel, met de geopende beschilderde orgelluiken aan weerszijden en in het midden het rijk versierde pijpwerk in groen, blauw en goud.
Detail van een beschilderd orgelluik van het rugwerk, met koning Saul in tulband tussen soldaten en omstanders; hij kijkt naar de intocht na Davids overwinning op Goliath.
Detail van een beschilderd orgelluik van het rugwerk, met het nog bloedende hoofd van Goliath als onderdeel van Davids overwinningstocht.
Detail van een beschilderd orgelluik van het rugwerk, met David in triomf, omringd door omstanders en muzikanten na de overwinning op Goliath.

Als afbeelding staat David centraal, meestal en hier met een harp afgebeeld. Men koos voor David in relatie tot muziek, omdat een groot aantal Psalmen in de Bijbel aan Koning David werd toegeschreven.

Links -aan de noordkant van de kerk-  triomfeert David en loopt op kop naar ons; toeschouwer toe. Rechts van hem hoornblazers die als klinkend eerbetoon de overwinning vieren. De lansen en wimpel duiden op de strijd die plaatsvond. Hij draagt zijn oorlogsbuit met zich mee. (het nog bloedende hoofd van Goliath.)
Rechts van Goliath met tulband, een onthutst en jaloers kijkende koning Saul. Want niet hij, maar de eenvoudige herdersjongen David wordt gevierd en ontvangt alle eer, omdat David de aartsvijand van het volk van Israël, de Filistijnen heeft verslagen.

Rechts  -aan de zuidkant van de kerk- zien we ook David centraal staan. Hij bespeelt een harp, symboliserend dat hij een psalmist (dichter – Schrijver van geestelijke gezangen) David draagt een kroon, nadat hij tot koning is gekozen van Israël is geworden. We zien hier de blijde intocht dat David het Ark des Verbonds naar Jeruzalem brengt. Jeruzalem kreeg daarmee de prominentste plaats als religieus centrum en werd de stad zelfs als middelpunt van de wereld weergegeven, zoals in Mappa di Mundi.

De Ark staat voor Gods aanwezigheid en contact maakt met Zijn volk. En rondom dit alles bevindt zich het orgel: het instrument waarmee in de kerk de lofzang wordt gedragen.
Het sluit aan bij Psalm 150, waarin wordt opgeroepen God te loven met allerlei muziekinstrumenten.
zo verbind de Kerk de mensen met God. David als harpspeler, psalmen zingend, de dienst begeleid door orgelmuziek.

Met de winter, vorst zijn de panelen in de middeleeuwen dicht. Zo ook met rouw en vastenperioden mocht het orgel niet worden gespeeld. Dit als teken van soberheid en er mocht geen vreugde zijn. Ook liturgisch kende het orgel perioden van stilte. Tijdens de vastentijd werd het gebruik al sterk ingetogen.
Op Witte Donderdag klinkt tijdens het Gloria nog eenmaal feestelijk klokgelui. Daarna verstommen de klokken tot het Gloria van de Paaswake. Ook het orgel treedt tijdens deze dagen sterk terug. De kerk wordt sober: geen uitbundige muziek, geen klokkengelui. Volgens een oude volksvertelling ‘vliegen de klokken naar Rome’. Pas tijdens de Paaswake keren bij het Gloria klokken en muziek feestelijk terug. Zie Christelijke feestdagen > witte Donderdag.
Bij dichte luiken is de achterzijde zichtbaar, daar zien we een wolkenhemel gedrapeerd onder rouwgordijnen.

Tegenwoordig staan de luiken permanent open; de Kerk heeft tegenwoordig verwarming en zelfs vloerverwarming (1996) En gelukkig maar — want daardoor kunnen wij vier eeuwen later nog altijd naar hetzelfde geschilderde verhaal kijken.
En achter zo’n schitterende gevel staan honderden — in dit orgel zelfs 3780 — pijpen. Omdat orgelpijpen temperatuurgevoelig zijn en uitzetten en krimpen, wordt het orgel voor ieder concert gecontroleerd en gestemd. Bij een orgel van 23 meter hoog, betekent dat dus ook dat je flink moet klimmen. Geen hoogtevrees hier dus…..

Koning David met harp – mensgroot houten beeld uit de Grote Kerk van Breda. David draagt een kroon en bespeelt een harp, als verwijzing naar de Psalmen en de lofzang op God.

David en Sint Cecilia – muziek ter ere van God

Het houten beeld links stelt koning David voor met zijn harp. Het stond vroeger op het orgel van de Grote Kerk van Breda, vóór de restauratie door Flentrop in 1969.

Rechts staat Sint Cecilia, met een klein orgel in haar armen en een palmtak als teken van haar martelaarschap. Cecilia was een vroegchristelijke martelares en groeide in de eeuwen daarna uit tot patrones van de muziek en in het bijzonder de kerkmuziek. Daarom wordt zij in kerken vaak afgebeeld met een orgel.

Zo staan hier eigenlijk twee eeuwenoude symbolen van kerkelijke muziek naast elkaar: David met zijn harp en Sint Cecilia met het orgel — beiden verbonden met muziek als lofzang tot God.

Mensgrote Beeld van Sint Cecilia uit de Grote Kerk van Breda. Zij draagt een kroon en houdt een klein draagbaar orgel vast. Sint Cecilia is in de christelijke traditie de patrones van de kerkmuziek


De werking
Een orgelpijp heeft lucht nodig om een toon te maken. Naast het verschil in houten en metalen (legering tin en lood) pijpen, zijn er grofweg 2 soorten orgelpijpen: tongpijpen en labiaalpijpen.  Labiaalpijpen of lippijpen zijn de bekendste. De toon doordat lucht langs een scherpe rand — het labium — stroomt, eigenlijk een beetje zoals bij een blokfluit.
Een tongpijp heeft onderin een dun metalen tongtje dat door de lucht gaat trillen. Dat geeft die meer uitgesproken, soms scherpere of “instrumentachtige” klank, zoals bij Trompet, Hobo, Dulciaan, Fagot enzovoort. Het trillende metalen tongetje zit verborgen in de voet van de pijp, is aan de buitenkant niet zichtbaar. Tongpijpen zijn vaak herkenbaar aan hun afwijkende beker- of trechtervorm. 

Technisch schema van metalen en houten orgelpijpen, met genummerde onderdelen zoals voet, onderlabium, opsnede, bovenlabium, lichaam en monding.
Detail van de grote orgelpijpen aan de linkerzijde van het orgel, met de hoge metalen labiaalpijpen en vergulde ornamenten van de orgelkas.
Detail van orgel-tongpijpen met hun herkenbare beker- of trechtervorm, opgesteld op houten voeten binnen in het

👆🏻 1= voet – 2= onderlabium – 3 =  opsnede – 4 = bovenlabium – 5 = lichaam – 6 = monding
👆🏻👆🏻Grote labiaalpijpen (hier de pendaalpijpen van 5 meter hoog)
👆🏻👆🏻👆🏻 tongpijpjes

Het orgel krijgt lucht via de blaasbalgen, die vroeger bediend werden door orgeltrappers, tegenwoordig wordt dat gedaan door machines – een windmachine. De orgelwind gaat door slangetjes, naar de windlade (1). De slangetjes (2 dit zijn moderne slangetjes) werden vroeger gemaakt van schapenhuid. Wat natuurlijk verteerd na verloop van eeuwen. De windlades zijn een soort van planken, of zie het als lange luciferdoosjes met schuiven, zogenaamde slepen, waar gaatjes in zitten. Wanneer de organist een register uittrekt, schuift zo’n sleep open en kan de lucht naar een bepaalde groep orgelpijpen. Zo bepaalt de organist welke klankkleur meedoet.

Met de toetsen van de manualen en met het pedaal bepaalt de organist vervolgens welke toon klinkt. Die beweging wordt via houten latjes en draadjes — de tractuur (3) — doorgegeven aan een ventiel in de windlade. Dat ventiel gaat open, de lucht stroomt naar de gekozen pijp en: toon! 🎶

register = welke klankkleur
toets/pedaal = welke toon

Houten onderdeel van een orgelwindlade met rijen openingen waardoor de orgelwind naar verschillende pijpen wordt geleid.
Bundel flexibele slangen binnen in het orgel die de orgelwind van de windvoorziening naar verschillende delen van het instrument voeren.
Mechanisch deel van de orgeltractuur met lange houten latten en dunne metalen verbindingen, waarmee de beweging van toets of pedaal wordt doorgegeven aan de ventielen in het orgel.

De organist
En zeg je orgel – organist, dan zeg je Bach. DE bekendste organist aller tijden. Muziek begint en eindigt met Johan Sebastiaan Bach. (✶ 31 maart 1685 – ✝︎ 28 juli 1750)
* Hij was niet alleen componist, maar ook een uitzonderlijk organist en stond in zijn eigen tijd juist óók bekend om zijn spel en zijn fenomenale improvisaties. Hij kon ter plekke een thema krijgen en daar een complete fuga of koraalbewerking omheen bouwen.

 

* Bij orgelkeuringen testte hij graag de laagste pedaaltonen en volle registers — niet voorzichtig dus. Hij wilde weten of een orgel écht draagkracht had. Hij was dus in zijn tijd een soort van APK meester van de orgels. 

* Zijn voetenwerk was beroemd. Bij Bach is het pedaal niet alleen “de bas”; het kan een volwaardige melodielijn spelen terwijl beide handen tegelijk iets anders doen. Er bestaan verhalen dat toehoorders verbaasd waren dat één mens zoveel stemmen tegelijk uit een orgel kon halen. Bij Bach waren de voeten geen begeleiding. Ze waren gewoon een derde hand.

Had Bach in zijn leven Breda bezocht: had hij het orgel kunnen horen spelen. Deze kerk, Onze Lieve Vrouwe Kerk te Breda had in 1411 al een orgel.

Portret van Johann Sebastian Bach zittend aan een orgel, met beide handen op het klavier en op de achtergrond orgelpijpen en een verlichte lessenaar met bladmuziek.

 

Zoals eerder gezegd is een orgel een heel symfonieorkest in één. Een organist speelt tegelijk met twee handen én twee voeten. Dat maakt orgelspelen lichamelijk bijna een soort choreografie, vier ledematen tegelijk. Organisten ontwikkelen vaak een soort “voetengeheugen”: zonder voortdurend naar beneden te kijken weten ze waar de pedaaltoetsen zitten. — en moeten ondertussen ook nog nadenken als een dirigent.
Ook moet je vooruit plannen: welke registers trek ik wanneer open, welke manualen koppel ik, wanneer wissel ik van klankkleur? Bij grote orgels als deze, kan de organist hulp hebben van registranten. Mensen die voor de organist op het juiste moment de juiste registers bedienen. (bedenk in de middeleeuwen ook nog de calcanten) dan is orgelspelen geen eenmanszaak. 
Ook het feit dat de pijpen zo ver van de speeltafel af kan staan – zeker in grotere kerken – kan de organist soms een fractie vertraging ervaren tussen toets en klank. Je moet dus ook leren spelen mét de akoestiek.

Wie denkt dat orgelspelen alleen uit zitten en toetsen indrukken bestaat, vergist zich. Bij grote werken is het topsport: handen en voeten bewegen onafhankelijk van elkaar, registers worden voortdurend gewisseld en bij gekoppelde manualen kan het spel zwaar worden.
Na een intens werk zie je een organist dan ook geregeld bezweet achter de speeltafel zitten — handen, gezicht én klavieren moeten soms even gedroogd worden voordat het volgende stuk begint. Waar je als toehoorder niets van meekrijgt. Dus het is niet dat de organist lang wacht tussen de stukken in. 

Vijftiende-eeuws orgel in de Basilique de Valère in Sion, hoog aan de kerkmuur geplaatst, met een houten onderbouw, gotische orgelkas, verticale pijpen en geopende beschilderde luiken met religieuze voorstellingen.
Vijftiende-eeuwse orgelkas van het Peter Gerritsz-orgel, hoog aan de kerkmuur in Middelburg geplaatst, met een slanke gotische houten kas, meerdere verticale pijpvelden en rijk uitgesneden spitsbogen en pinakels.

Als toetje 🧁 deze nog 2 meest liefelijke oude orgeltjes. 

Echte pareltjes.
De eerste bevindt zich in de Baselique de Notre-Dame-de-Valère (Burgkirche) in Sion Zwitserland. Ze is het oudste nog bespeelbare orgeltje ter wereld en stamt uit 1435. Ze heeft 376 pijpen, waarvan 180 nog uit de vijftiende eeuw stammen. De beschildering van de gotische orgelkas is versierd met kleurrijke schilderingen van Maria met het kindje Jezus en heiligen, vormgegeven als een middeleeuwse vesting – zie de kantelen bovenaan de kas links en rechts. 
Het is gebouwd als blokwerk, dat betekent nog geen registers (werd pas na 1500 uitgevonden). Dat is de reden dat organisten flink moeten oefenen om dit orgeltje te kunnen bespelen. Meerdere pijpen per toon klinken hier gezamenlijk.


Het tweede orgeltje is het oudste orgeltje in Nederland. Rond 1479 oorspronkelijk gebouwd voor de Nicolaïkerk in Utrecht. Sinds de jaren ’50 hangt ze in Middelburg. Momenteel niet bespeelbaar, omdat er geen binnenwerk inzit. Zowel de oorspronkelijke middeleeuwse kas als het binnenwerk bestaan nog en worden momenteel bewaard in het CollectieCentrum Nederland (CC NL) in Amersfoort. Die wil onderzoeken, conserveren en nagaan hoe ze weer verenigd kunnen worden en terug te brengen naar de Nicolaïkerk in Utrecht.  
Ook dit pareltje stamt dus van voor 1500 en is ook een blokwerk-orgeltje. (dat wordt oefenen !) 
De Rijksdienst noemt het zelfs, voor zover bekend, het oudste orgel ter wereld waarvan beide nog bestaan.